Straten, huizen, boerderijen, dorpen en steden,
Ze trekken in sneltrein vaart aan mij voorbij,
Al waar mijn blik blijft hangen,
Wordt langzaam maar zeker klein,
In de kerken wordt wellicht gebeden,
Een passant kijkt op naar mij,
Met een koude blos op haar wangen,
En ze wordt langzaam maar zeker klein,
De vogels vliegen met zijn allen,
Liefdevol en vredig door de lucht,
Ik probeer ze met mijn ogen te volgen,
Maar ze worden langzaam maar zeker klein,
Ik hoor wat studenten luidt lallen,
Een oude man die slaakt een zucht,
Een echtpaar kijkt wat verbolgen,
Ik stap de volgende halte uit,
En dan wordt de trein langzaam maar zeker klein.