Buiten zinnen

Wie rijdt staat niet stil,
Wie vecht blijft niet alleen,
Wie strijd doet wat hij wil,
Wie zegt is niet van steen,
Hoe tranen biggelen langs ogen,
Zo lachen de rijken met hun vermogen,
Hoe decibellen razen langs oren,
Zo spraken de armen als ze weer verloren,
Dus zeg mij niet,
Dat het prachtig is,
Weet wat je ziet,
Wat wel machtig is,
Maar de ondergrond,
Zachter heb ik niet gevoeld,
Als drijfzand zakt,
Een geest wordt vervloekt,
Kerken, moskeeën en synagoges,
Heilige en onbevlekte maagden,
Zodat ze in hun behoefte slaagden,
De ster in het koor is een zangeres,
Om Hem te beminnen,
De almachtige voor de goedgelovige,
De verachte van de ongelovige,
Maar beiden om te bezinnen,
Liefde en haat is samen,
Vechtend om te omarmen,
Zwijgen als een pater,
In het verleden voor later.

Ze was er voor een anders geluk

Op een morgen stond ze op en
vertelde ze een groot verhaal,
Ze wilde de wereld beter maken,
Een beetje mooier kon het allemaal,
Kinderen hier hadden wellicht alles,
Maar niet overal ging het zo goed,
'Dat kan volgens mij veranderen,
Maar verandering begint pas
als je zelf wat doet'

Dus ze vloog naar hier ver vandaan,
Ze belde en vertelde haar verhaal,
Over de blije kinderen en de scholen,
Nee er is niets wat zij niet zou doen,
Voor een ander zijn geluk,

Ze deed het zo goed en ik was trots,
Op de vrouw die ze is geworden,
Als kinderen kenden we elkaar,
Maar nu zag ik het pas,
Hoe bijzonder ze was,

Ze vloog naar hier ver vandaan,
Er werd gebeld en ze vertelden een verhaal,
Niet over de blije kinderen en de scholen,
Nee er was niets meer wat ze konden doen,
Ze was daar toch voor een anders geluk,
Ze was er voor een anders geluk.

Zo lang geleden

Het is nu later,
En we denken,
Terug aan die avond,
Dat we heel stiekem,
Met zijn tweeën,
Urenlang met elkaar vreeën,
We zeiden lieve dingen,
Over schoonheid, liefde en het leven,
Want ook duurde het maar even,
Die uren hebben ons wat gegeven,
En we hebben elkaar wel geschreven,
Maar nooit zal het meer zijn zoals even,
Want toen is nu zo lang geleden.

Morgen

De oceaan opent zijn weg voor mij,
Ik kan kiezen tussen duiken en lopen,
Ik wil helemaal geen keuzes maken,
Mijn schepen verbranden en slopen,
Het ligt niet in de lijn van het denken,
Over de vrije geesten van de tijd,
Waar ik mij nu plotseling in bevind,
Zij is mij met een blik komen wenken,
De dagen tintelen vanaf toen voort,
Zonder geluid schreeuw ik het uit,
Van hoog tot laag en klein tot groot,
Als leven slecht is ben ik vermoord,
Open spel waar ik het plot niet zag,
Toch blijft de afstand nog eindeloos,
Gestoken kaarten maar geen geluk,
Hopelijk is morgen een betere dag.

Rotterdam

Wat een schijtstad in een lelijk land,
Een centrum, dat komt er niet van,
Een brug, een mast en een kubus,
Die kan je krijgen met je pleurismuil,
Voor de rest niet zo veel zeiken,
Ga liever werken met die klauwen,
Vo voor de student, eerwaarde Erasmus,
Zwalkend van het stadhuis naar een fontijn,
Gedronken en voldaan weer gaan,
In die schijtstad van het cynisme,
In de luwte van het sarcasme,
Stiekem hou je daar toch van.

Blauw

Alles moet blauw zijn,
Geen regel uitgezonderd,
Van gedachtes over liefde,
Tot verhalen over dromen,
Alles moet blauw zijn,
Alles moet blauw zijn,

Als de vogels fluiten,
Is voor mij de dag alweer geweest,
Want als het niet donker is,
Is het voor mij geen feest,
Ik zie de mensen wel lachen,
Er is tijd genoeg voor genot,
Maar als het heel licht is,
Dan voel ik mij weer rot,

Alles moet blauw zijn,
Geen regel uitgezonderd,
Van gedachtes over liefde,
Tot verhalen over dromen,
Alles moet blauw zijn,
Alles moet blauw zijn,

De zon kust de aarde,
Door naar hem te stralen,
Ik ontrek me van dat gegeven,
Door te gaan malen,
Zie ik wat verlichtends,
Dan vergeet ik het gauw,
Hoe erg ik het ook lief heb,
Alles moet snel weer blauw,

Alles moet blauw zijn,
Geen regel uitgezonderd,
Van gedachtes over liefde,
Tot verhalen over dromen,
Alles moet blauw zijn,
Alles moet blauw zijn,

Want als iets dan blauw is,
Dan is het voor mij mistig genoeg.

Even

De klok tikt langzaam verder,
Terwijl de nacht al is geweest,
Jij ademt zachtjes tegen me aan,
Maar voor mij is er geen feest,
Ik ben hol en leeg van binnen,
En staar met mijn ogen dicht,
Er was nog toekomstperspectief,
Maar daar ben ik nu door gezwicht,
Ik kijk terug op de momenten,
Die ik heb mogen beleven,
Het was voor mij veel te leuk,
Al was het maar voor even,
Het is zoals het leven,
Alles is maar voor even.