Als ze er niet is,
Is het niet dat ik haar mis,
Maar als ik haar weer zie,
Weet ik niet wat ze met me doet,
Want als ik haar dan zie,
Dan lijkt alles opeens weer goed,
Alsof we elkaar elk dag spreken,
Zonder dat we elkaar maar horen,
Dat ik al door je haar heb gestreken,
Zonder ik je daarvoor moest storen,
Maar toch is er een vreemde lucht,
Die langzaam over ons heen trekt,
Dat jij dan als de verboden vrucht,
In het paradijs zich naar me toe strekt,
En dat ik maar niet zonder kan,
Jouw lichaam betovert mijn geest,
Dat kan slechts een vrouw met een man,
Ik weet dat ik het niet moet doen,
Maar het is alsof je mijn gedachte leest,
Als ik mezelf verraad met een zoen.