Tijdenlang zocht ik naar jou,
Maar jij liet niet weten,
Wat je nou echt van me wou,
En ik, ik probeerde je te vergeten,
Soms zweefde je voorbij,
Als een gedachte door de tijd,
Maar jij deed het niet meer voor mij,
Een afscheid weliswaar met spijt,
Dat is wat ik tot dan toe dacht,
Maar zoals water blijft stromen,
Nergens ook maar ooit op wacht,
Zo ben ik al die tijd blijven dromen,
Dat ik je ooit weer zou ontmoeten,
De plek zou voor mij niet uitmaken,
Ik zal je kussen en zal je groeten,
Het verleden zal ik onmiddelijk wraken,
Maar nu je daar plots weer voor me staat,
Ontwaakt uit al jouw glorie die ik je toedicht,
Weet ik niet of het nog goed met me gaat,
Ik wankel, ik duizel en zie helder wit licht,
Het licht brandt en roept mij naar zich toe,
Ik wil wel maar ik kan het niet,
Hoeveel ik ook voor het verleden doe,
Het is niet dat mijn geest geen toekomst ziet.